ECLI:NL:CRVB:2019:2047
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstand wegens weigering medewerking huisbezoek
Appellant weigerde op 20 maart 2017 mee te werken aan een huisbezoek in het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van zijn bijstandsuitkering en weigerde het gespreksverslag te ondertekenen. Het bestuur beëindigde daarop de bijstand met ingang van 20 maart 2019, omdat appellant niet voldeed aan de medewerkingsverplichting uit artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn weigering niet aan hem te verwijten was vanwege psychische problemen, waaronder agressieregulatie, en dat het verzoek om medewerking hem niet had bereikt door zijn boosheid tijdens het gesprek.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verslag van het gesprek, ondertekend door toezichthouders, duidelijk maakte dat appellant was geïnformeerd over het huisbezoek en de gevolgen van weigering. Appellant begreep dit, maar koos bewust niet mee te werken. Zijn boosheid en houding zijn voor zijn eigen rekening en risico. Het bestuur kon zonder huisbezoek de feitelijke situatie niet vaststellen, waardoor het recht op bijstand niet kon worden beoordeeld.
Daarom was de beëindiging van de bijstand terecht. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bijstand van appellant is terecht beëindigd wegens weigering mee te werken aan het huisbezoek.