ECLI:NL:CRVB:2019:2046
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellante heeft bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor inrichtingskosten ter hoogte van €1.492,09. Het college wees deze aanvraag af omdat het geen uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten betrof, maar incidentele algemene kosten waarvoor reservering mogelijk was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. Appellante stelde dat de inrichtingskosten voortkwamen uit plotselinge asbest- en schimmelproblemen in haar woning, maar kon dit niet met controleerbare stukken onderbouwen. Ook het argument dat haar bijstandsinkomen onvoldoende was om te reserveren werd verworpen, evenals het beroep op schulden die reservering verhinderen.
Verder werd het college verweten de aanvraag onzorgvuldig te hebben behandeld vanwege de verstandelijke beperking van appellante. De Raad oordeelde dat het college voldoende pogingen had gedaan om contact te zoeken en dat appellante in de bezwaarfase gelegenheid had om nadere informatie te verstrekken, wat zij niet heeft gedaan. De Raad benadrukt dat de bewijslast van bijstandbehoevendheid bij appellante ligt en dat het college niet verplicht was haar thuis te bezoeken.
Het hoger beroep slaagt niet en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wordt bevestigd wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.