ECLI:NL:CRVB:2019:2042
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing terugvordering voorschot bijstand wegens onvoldoende bewijs hoofdverblijf
Appellant ontving tot 5 februari 2018 bijstand op het adres van zijn ouders en vroeg vervolgens bijstand aan met ingang van 5 februari 2018, met een nieuw opgegeven woonadres. Hij overhandigde een huurovereenkomst en inschrijving in de basisregistratie personen ter onderbouwing.
Na een telefoongesprek waarin appellant verklaarde nog niet op het opgegeven adres te wonen, voerde het college een onderzoek uit, inclusief een huisbezoek. Het college wees de aanvraag af en vorderde een voorschot terug, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij vanaf 5 februari 2018 op het opgegeven adres woonde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel woonde op het opgegeven adres, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de onderzoeksbevindingen en verklaringen van appellant dit niet aannemelijk maken. De woning was niet ingericht, er waren vrijwel geen persoonlijke spullen aanwezig, en de verklaring dat hij er sliep werd niet bevestigd door het huisbezoek.
Het hoger beroep werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woonde op het opgegeven adres.