ECLI:NL:CRVB:2019:2027

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 mei 2019
Publicatiedatum
25 juni 2019
Zaaknummer
18/1031 WSF-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:37 AwbArt. 8:56 AwbArt. 8:115 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugwijzing van bestuursrechtelijke zaak wegens niet-naleving verzendvoorschriften uitnodiging

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep behandeld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. De kern van het geschil betreft de wijze van verzending van de uitnodiging voor de zitting van de rechtbank. Uit het dossier blijkt dat de uitnodigingen per gewone post zijn verzonden, terwijl artikel 8:37 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorschrijft dat op cruciale momenten aangetekende verzending of verzending met ontvangstbevestiging vereist is.

De Raad stelt vast dat appellante en haar gemachtigde de uitnodiging niet hebben ontvangen, waardoor appellante haar recht om de zitting bij te wonen niet kon uitoefenen. Dit leidt tot de conclusie dat de rechtbank in strijd met artikel 8:37 Awb Pro heeft gehandeld. Gezien deze procedurele tekortkoming vernietigt de Raad de aangevallen uitspraak en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.

Daarnaast wordt conform vaste rechtspraak het bestuursorgaan veroordeeld in de proceskosten van appellante en wordt het betaalde griffierecht aan appellante terugbetaald. De zaak wordt hiermee in het belang van een correcte rechtsgang en zorgvuldige procesvoering terugverwezen.

Uitkomst: De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank.

Uitspraak

18.1031 WSF-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 april 2017, 17/1861 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 22 mei 2019
Zitting heeft: J. Brand
Griffier: D.S. Barthel
Ter zitting zijn verschenen: mr. N. Roos als vertegenwoordiger van appellante en mr. drs. E.H.A. van den Berg als vertegenwoordiger van de minister

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst de zaak terug naar de rechtbank;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante, die voor het hoger beroep zijn begroot op € 1.024,- voor verleende rechtsbijstand;
  • bepaalt dat de griffier van de Raad het betaalde griffierecht van € 126,- aan appellante terugbetaalt.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. In het dossier van de rechtbank, zoals dat naar de Raad is gestuurd, bevinden zich de uitnodigingen aan appellantes gemachtigde en aan de minister voor de zitting van de rechtbank van 11 januari 2018. Op deze uitnodigingen is aangekruist dat deze per gewone post zijn verzonden. Uit het dossier blijkt niet, mede gelet op de doornummering van de gedingstukken, dat het desbetreffende bericht van 20 november 2017 – ook – aangetekend of bij brief met ontvangstbevestiging naar partijen is verzonden, terwijl artikel 8:37 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) laatstbedoelde twee wijzen van verzending, in beginsel, voorschrijft. Het is vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM2732) dat, blijkens de toelichting op genoemde bepaling uit de Awb het de bedoeling van de wetgever is, op bepaalde cruciale momenten in het proces gewaarborgd is dat de in artikel 8:37 van Pro de Awb genoemde berichten de betrokkene(n) daadwerkelijk bereiken, in verband waarmee aangetekende verzending of verzending per brief met ontvangstbevestiging in beginsel is voorgeschreven. Nu verzending per gewone post, zoals in dit geval is gebeurd, een dergelijke waarborg niet biedt, ook niet na de verzending van een vooraankondiging per gewone post, en appellante zich erover heeft beklaagd dat zij haar recht om de zitting van de rechtbank bij te wonen niet heeft kunnen uitoefenen – terwijl bij gebrek aan enige aanwijzing voor het tegendeel moet worden aangenomen dat de uitnodiging als bedoeld in artikel 8:56 van Pro de Awb appellante noch haar gemachtigde heeft bereikt – heeft de rechtbank in strijd met artikel 8:37 van Pro de Awb gehandeld.
2. Dat betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.
3. Nu appellante heeft aangegeven prijs te stellen op volledige behandeling van haar zaak in twee instanties en de minister zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de Raad, wordt aanleiding gezien de zaak met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb terug te wijzen naar de rechtbank.
4. Conform vaste rechtspraak bij terugwijzing zal voor het hoger beroep een proceskostenveroordeling ten laste van het bestuursorgaan worden uitgesproken.
5. Het voor het hoger beroep betaalde griffierecht zal door de griffier van de Raad aan appellante worden terugbetaald.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) D.S. Barthel (getekend) J. Brand

NW