ECLI:NL:CRVB:2019:20
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering persoonsgebonden budget AWBZ over 2014
Appellante ontving in 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) voor AWBZ-zorg. Het zorgkantoor stelde het pgb lager vast en vorderde een deel terug omdat de verantwoorde kosten over de tweede helft van 2014 voor zorgverlener 1 niet waren ingediend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het zorgkantoor terecht de kosten voor de tweede helft van 2014 niet accepteerde. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de zorg wel was verleend en dat betalingsachterstanden door fouten van de Sociale Verzekeringsbank de late betalingen verklaren.
De Raad overwoog dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen vanwege niet-naleving van administratieve verplichtingen, maar daarbij een belangenafweging moest maken. Uit bankafschriften bleek dat het zorgkantoor een hoger bedrag accepteerde dan daadwerkelijk was betaald. Daarom was het redelijk dat het zorgkantoor de kosten over de tweede helft van 2014 niet accepteerde. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het zorgkantoor terecht de verantwoorde kosten voor zorgverlener over de tweede helft van 2014 niet heeft geaccepteerd.