ECLI:NL:CRVB:2019:1984
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet WIA
Appellant, een voormalig lasser, meldde zich in 2009 ziek en ontving vanaf 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering. Na een melding van verslechtering in 2013 stelde het UWV in 2014 een arbeidsongeschiktheid van 80-100% vast. Een herbeoordeling in 2015 leidde tot beëindiging van de uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Appellant maakte bezwaar, waarna het UWV in 2016 de uitkering herstelde met een arbeidsongeschiktheid van 50,61%. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het tweede besluit af.
In hoger beroep betwist appellant dat zijn gezondheid is verbeterd en stelt dat hij nog steeds bedlegerig is. De Raad toetste dit aan medische rapporten en het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, waarbij GBM (geen benutbare mogelijkheden) wordt vastgesteld bij bedlegerigheid of ernstige psychische stoornissen met zelfredzaamheidstekorten. De Raad concludeerde dat de psychische toestand van appellant is verbeterd, onderbouwd door dagverhalen en een brief van zijn psycholoog, en dat geen sprake is van GBM.
De Raad oordeelde dat de beperkingen en de medische geschiktheid voor de geselecteerde functies terecht zijn vastgesteld en bevestigde het standpunt van het UWV dat appellant recht heeft op een uitkering gebaseerd op 50,61% arbeidsongeschiktheid. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het standpunt van het UWV dat appellant recht heeft op een loonaanvullingsuitkering op basis van 50,61% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.