Uitspraak
17.3483 WIA
OVERWEGINGEN
5 april 2016 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 10 mei 2016 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, voorheen werkzaam als reisadviseuse, kreeg een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2015 stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waarna de uitkering werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard op basis van rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch oordeel zorgvuldig en juist was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep bevestigde het eerdere oordeel en concludeerde dat appellante geschikt was voor eenvoudig, gestructureerd werk zonder urenbeperking. De rechtbank verwierp het standpunt van een andere verzekeringsarts die een urenbeperking had geïndiceerd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar medische beperkingen, waaronder borderline stoornis en ernstige straatvrees, haar verhinderen de functies te verrichten. Zij overhandigde een expertiserapport en stelde dat zij onder behandeling was met een behandelplan in voorbereiding. De Raad oordeelde dat dit geen aanleiding gaf het eerdere oordeel te wijzigen, omdat het rapport geen nieuwe medische gegevens bevatte en appellante niet door de rapporterende arts was onderzocht.
De Raad concludeerde dat de medische en arbeidsdeskundige beoordelingen zorgvuldig en overtuigend waren en dat de functies passend waren. Een verslechtering van de gezondheidstoestand na de datum van beoordeling kon niet worden meegewogen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-loonaanvullingsuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.