ECLI:NL:CRVB:2019:195

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 januari 2019
Publicatiedatum
22 januari 2019
Zaaknummer
17/5376 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toepassing kostendelersnorm bij bijstandsverlening ondanks ontbreken betalingsbewijzen huur

Appellant heeft een bijstandsaanvraag ingediend waarbij hij verklaarde alleenstaand te zijn en een kamer te huren voor €300 per maand. Het college stelde vast dat er meerdere personen op het adres stonden ingeschreven en paste de kostendelersnorm toe, waarbij rekening werd gehouden met één medebewoner. Appellant overlegde een huurcontract uit 2007, maar geen betalingsbewijzen.

Het college concludeerde dat geen sprake was van een commerciële huurrelatie. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, omdat appellant de huurbetalingen niet had onderbouwd ondanks gelegenheid daartoe.

In hoger beroep voerde appellant aan dat het ontbreken van kwitanties niet uitsluit dat sprake is van commerciële huur. De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe gronden aanvoerde die de gemotiveerde uitspraak van de rechtbank konden weerleggen en bevestigde het oordeel dat geen commerciële huurrelatie bestond.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de toepassing van de kostendelersnorm en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toepassing van de kostendelersnorm en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

17.5376 PW

Datum uitspraak: 22 januari 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
23 juni 2017, 16/8263 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Kafa, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 11 december 2018. Partijen zijn, waarvan het college met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft op 29 maart 2016 een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij alleenstaand is, dat er geen andere personen wonen op zijn adres en dat de huurprijs € 300,- per maand bedraagt.
1.2.
Nadat was gebleken dat nog andere personen op zijn adres stonden ingeschreven, heeft het college appellant onder meer verzocht om het huurcontract, bewijzen van huurbetalingen van de laatste drie maanden en een verklaring over de andere op zijn adres ingeschreven personen te overleggen. Appellant heeft een huurcontract overgelegd waaruit blijkt dat hij sinds 20 december 2007 een kamer huurt voor een bedrag van € 300,- per maand. Hij heeft geen bewijzen van huurbetalingen overgelegd.
1.3.
Bij besluit van 30 mei 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 november 2016 (bestreden besluit), heeft het college aan appellant met ingang van 29 maart 2016 bijstand toegekend met toepassing van de kostendelersnorm. Het college heeft hieraan het volgende ten grondslag gelegd. Bij de toepassing van de kostendelersnorm heeft het college rekening gehouden met één medebewoner met wie appellant de kosten kan delen. Op basis van de door appellant overgelegde huurovereenkomst uit 2007 volgt dat destijds een kamerhuur van
€ 300,- is afgesproken. Niet gebleken is of de huurprijs jaarlijks wordt geïndexeerd en appellant heeft geen bewijzen van huurbetalingen overgelegd. Het college heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een commerciële huurrelatie.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe - samengevat weergegeven - overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een commerciële huurrelatie. Appellant stelt weliswaar dat hij maandelijks, meestal contant, huur betaalt aan de verhuurder, maar heeft dit, ondanks dat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet onderbouwd.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft - samengevat weergegeven - aangevoerd dat sprake is van commerciële kamerhuur. Het feit dat hij geen kwitanties heeft overgelegd, brengt niet zonder meer mee dat geen sprake is van commerciële kamerhuur.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2019.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend) M.A.E. Lageweg

LO