ECLI:NL:CRVB:2019:1930
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WAO-uitkering wegens niet-toegenomen beperkingen binnen vijf jaar
Appellant, werkzaam als draadbewerker, meldde zich in 2000 ziek met rug- en oogklachten. Het UWV weigerde in 2001 een WAO-uitkering omdat appellant ondanks beperkingen in staat was aangepast werk te verrichten. In 2016 meldde appellant een verslechtering van zijn gezondheid en vroeg opnieuw een WAO-uitkering aan, welke het UWV weigerde omdat niet binnen vijf jaar na de eerste afwijzing sprake was van toegenomen beperkingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat de medische gegevens die appellant aanvoerde betrekking hadden op een periode na de vijfjaarstermijn. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er wel binnen die termijn sprake was van toegenomen psychische klachten, maar het UWV handhaafde haar standpunt.
Een verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat er geen toename van beperkingen was binnen de relevante vijfjaarperiode. De Raad oordeelde dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 43a van de WAO, en bevestigde de eerdere uitspraak.
Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende was gemotiveerd, was dit gebrek niet nadelig voor appellant omdat de uitkomst gelijk zou zijn gebleven. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een WAO-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar.