ECLI:NL:CRVB:2019:1909
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet melden gewijzigde verblijfplaats dakloze
Appellant ontving bijstand als dakloze en verbleef aanvankelijk in een nachtopvang. Vanaf 18 april 2016 is hij vertrokken zonder zijn nieuwe verblijfplaats door te geven aan het college, wat een schending van de inlichtingenverplichting opleverde. Het college schortte de bijstand op en trok deze later met terugwerkende kracht in, waarna de kosten werden teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij door omstandigheden uit de nachtopvang was gezet en meende dat de opvang zijn nieuwe verblijfplaats zou doorgeven. Hij was telefonisch bereikbaar en verbleef volgens een verklaring elders, maar werd niet actief benaderd door het college. Ook stelde hij dat terugvordering gezien zijn gezondheid en schulden onredelijk was.
De Raad oordeelde dat de inlichtingenverplichting objectief is en dat appellant deze heeft geschonden door zijn gewijzigde verblijfplaats niet te melden. De overgelegde verklaring was onvoldoende specifiek en het college kon de verblijfplaats niet meer controleren. De gevolgen van het niet melden komen voor rekening van appellant. Ook was er geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.