ECLI:NL:CRVB:2019:1869
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.S. van der Kolk
- R.B. Kleiss
- W.E. Doolaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Appellant viel sinds februari 2012 uit wegens psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering. Na bezwaar en beroep werd dit besluit bevestigd, waarbij verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen de beperkingen en functiemogelijkheden nauwkeurig onderzochten en vastlegden in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Appellant meldde zich in december 2014 met toegenomen klachten, maar het UWV concludeerde opnieuw dat de mate van arbeidsongeschiktheid nihil was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en deugdelijk was uitgevoerd, waarbij alle klachten en medische informatie van behandelaars waren betrokken.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn klachten en stelde dat deze onderschat waren, met name vanwege ernstige psychische problematiek door dreiging van eerwraak. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV in hun oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen in de FML van juni 2016 adequaat rekening hielden met de psychische klachten. Het UWV had bovendien voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende medische informatie had ingebracht om het oordeel te wijzigen en bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.