ECLI:NL:CRVB:2019:1836
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering na eerstejaarsbeoordeling met betwisting hand- en armbeperkingen
Appellante was werkzaam als verzorgende thuiszorg en meldde zich ziek met psychische en fysieke klachten. Het UWV stelde na een eerstejaarsbeoordeling vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen en beëindigde haar ZW-uitkering.
Appellante stelde in hoger beroep dat onvoldoende rekening was gehouden met haar beperkingen, met name ten aanzien van hand- en vingergebruik, en betwistte het medisch oordeel van de verzekeringsarts. De Raad liet een nader medisch onderzoek uitvoeren, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat er geen aanleiding was om de beperkbaarheid te wijzigen.
De Raad achtte het onderzoek zorgvuldig en vond de medische motivering van het UWV voldoende, terwijl de door appellante ingebrachte medische adviezen op dossierstudie waren gebaseerd en minder zwaar wogen. De Raad bevestigde het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De ZW-uitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen.