ECLI:NL:CRVB:2019:1827
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling WGA-vervolguitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant, werkzaam als ijzerwerker, meldde zich in mei 2014 ziek met hart- en psychische klachten. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek kende het UWV hem een WGA-vervolguitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 57,51%. Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, stellende dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat zijn beperkingen onderschat waren.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht, waarbij rekening was gehouden met informatie van de behandelend sector. De functionele mogelijkhedenlijst (FML) werd als correct vastgesteld en de geselecteerde functies overschreden de belastbaarheid van appellant niet. Ook werd het verzoek om een IVA-uitkering afgewezen vanwege onvoldoende arbeidsongeschiktheid.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, voerde aan dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd en bracht nieuwe medische informatie in. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de verzekeringsartsen de beperkingen niet hadden onderschat en dat de nieuwe informatie niet relevant was voor de situatie op het peilmoment. Het verzoek tot benoeming van een medisch deskundige werd afgewezen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WGA-vervolguitkering correct vastgesteld.