ECLI:NL:CRVB:2019:1764
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek UWV
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en meldde zich op 11 april 2014 ziek. Het UWV stelde vast dat zij vanaf 11 april 2016 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dus geen recht had op een WIA-uitkering. Na een nieuwe ziekmelding op 13 oktober 2016 en een medisch onderzoek door een verzekeringsarts op 31 oktober 2016, besloot het UWV dat appellante geen recht meer had op ziekengeld op grond van de Ziektewet.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante eveneens ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en de conclusie van de verzekeringsarts juist was. Appellante bracht geen nieuwe medische informatie in die aanleiding gaf tot twijfel aan deze conclusie.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek had verricht en verzocht om benoeming van een onafhankelijk deskundige. De Raad oordeelde dat de gronden van appellante een herhaling waren van eerdere bezwaren en dat het medisch onderzoek zorgvuldig was. Er was geen reden om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts. Het verzoek tot benoeming van een onafhankelijk deskundige werd afgewezen.
De Raad bevestigde het besluit van het UWV dat appellante vanaf 31 oktober 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat appellante vanaf 31 oktober 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld wordt bevestigd.