ECLI:NL:CRVB:2019:1733
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewet-uitkering na Eerstejaars ZW-beoordeling
Appellant, voormalig taxichauffeur, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten en ontving een Ziektewet-uitkering. Na een Eerstejaars ZW-beoordeling stelde een verzekeringsarts vast dat appellant zijn eigen werk niet kon verrichten, maar op basis van geselecteerde functies kon hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen verdienen. Het Uwv beëindigde daarom de uitkering.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en zijn beperkingen te licht waren vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep voerde een herbeoordeling uit en paste de Functionele Mogelijkhedenlijst aan. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep concludeerde dat appellant 100% van zijn maatmaninkomen kon verdienen met de aangepaste beperkingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld, waarbij de klachten en beperkingen zorgvuldig zijn betrokken. De functies die appellant zou kunnen vervullen overschrijden zijn belastbaarheid niet, en er is geen bewijs dat hij aan zonlicht wordt blootgesteld, wat relevant zou zijn bij eventuele beperkingen.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de beëindiging van de Ziektewet-uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld omdat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.