Appellant ontvangt sinds maart 2009 een AOW-pensioen naar de gehuwdennorm. In augustus 2016 verzocht hij de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om herziening naar de alleenstaande norm, stellende dat hij en zijn echtgenote sinds die datum duurzaam gescheiden leven. De Svb wees dit verzoek af omdat uit onderzoek bleek dat zij niet duurzaam gescheiden leefden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn woonsituatie en een verklaring van een Svb-medewerker recht gaven op de alleenstaande norm. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat duurzaam gescheiden leven vereist dat beide echtgenoten ieder afzonderlijk een eigen leven leiden alsof zij niet gehuwd zijn, en dat deze situatie bestendig moet zijn bedoeld. Uit de feiten bleek dat appellant en zijn echtgenote op hetzelfde perceel wonen, gezamenlijke rekeningen hebben, elkaar dagelijks zien, en onderling zorg en ondersteuning bieden.
Daarom was niet ondubbelzinnig vastgesteld dat appellant duurzaam gescheiden leefde in de zin van de AOW. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen uitdrukkelijke en ondubbelzinnige toezegging van de Svb was gebleken. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het beroep af. Wel werd per juli 2018 een alleenstaande AOW-uitkering toegekend vanwege verhuizing.