Appellante ontving aanvankelijk een WAO-uitkering op basis van 80% arbeidsongeschiktheid, die vanaf 8 maart 2012 werd herzien naar 15-25%. Vanaf januari 2014 meldde zij toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het UWV voerde een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek uit, waarbij een mate van 45-55% werd vastgesteld. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen na hernieuwde medische en arbeidskundige rapportages.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld. In hoger beroep werd een onafhankelijk psychiatrisch deskundige benoemd, die concludeerde dat er geen aanvullende beperkingen waren ten opzichte van de eerder vastgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Appellante voerde aan dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, onder meer vanwege het gebruik van een tolk en het ontbreken van een heteroanamnese.
De Raad oordeelde dat het deskundigenonderzoek zorgvuldig, inzichtelijk en consistent was, en dat het ontbreken van een heteroanamnese niet tot onvoldoende zorgvuldigheid leidde. Het UWV mocht daarom uitgaan van de beperkingen zoals weergegeven in de FML van 21 augustus 2014. Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende was gemotiveerd, werd dit gebrek in hoger beroep hersteld en werd het besluit in stand gelaten. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellante.