ECLI:NL:CRVB:2019:1693
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onduidelijke herkomst kasstortingen
Appellant diende op 5 januari 2017 een aanvraag voor bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven. Het college wees deze aanvraag af bij besluit van 23 maart 2017, een besluit dat na bezwaar op 26 juni 2017 werd gehandhaafd. De kern van het geschil betrof de onduidelijke en niet verifieerbare herkomst van kasstortingen op de bankrekeningen van appellant, variërend van €35 tot €425.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en bevestigt dat de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel bij de aanvrager ligt. Appellant heeft de financiële situatie onvoldoende duidelijk gemaakt doordat hij wisselende verklaringen gaf over de kasstortingen en de verklaringen van derden niet overeenkwamen met de gestelde geleende bedragen.
Het college heeft de aanvraag terecht afgewezen omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het hoger beroep wordt daarom verworpen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens onvoldoende verifieerbare verklaring over de herkomst van kasstortingen.