ECLI:NL:CRVB:2019:1626
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Beslissing over kostenvergoeding en schadevergoeding na intrekking hoger beroep tegen UWV-besluiten WIA
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen besluiten van het UWV over toerekening en verhaal van een WGA-uitkering. Het UWV heeft vervolgens op 17 mei 2018 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarin de bezwaren gedeeltelijk gegrond werden verklaard en tien onderliggende besluiten werden herroepen. Naar aanleiding daarvan trok appellante het hoger beroep in en verzocht om integrale vergoeding van kosten en schadevergoeding.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht is veroordeeld tot vergoeding van de redelijk gemaakte proceskosten in beroep en hoger beroep, maar wijst het verzoek tot integrale vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand af omdat geen bijzondere omstandigheden zijn aangetoond die uitzonderlijk hoge kosten rechtvaardigen. Ook het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen omdat de kosten van medewerkers onder de proceskostenveroordeling vallen en overige kosten onvoldoende concreet zijn onderbouwd.
De Raad benadrukt dat de forfaitaire regeling voor proceskosten uitgangspunt is en alleen in bijzondere gevallen kan worden verhoogd. De onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit en de omvang van de kosten rechtvaardigen geen afwijking van deze regeling. Het verzoek om heropening van het onderzoek wordt eveneens afgewezen. De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van in totaal €2.816,- en het betaalde griffierecht van €825,-.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €2.816,- en het griffierecht van €825,-; het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.