ECLI:NL:CRVB:2019:1587
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en geschiktheid voor functies bij WIA-uitkering
Appellant was laatstelijk voltijds werkzaam als orderpicker en meldde zich op 4 oktober 2011 ziek. Het UWV weigerde hem per 1 oktober 2013 een WIA-uitkering toe te kennen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht, waarbij hij volgens een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) uit 2013 geschikt werd geacht voor vijf functies.
Na meerdere ziekmeldingen en beëindiging van Ziektewetuitkeringen, meldde appellant zich op 21 september 2015 opnieuw ziek wegens schouder- en psychische klachten. Een verzekeringsarts oordeelde op 3 november 2015 dat appellant vanaf 5 november 2015 geschikt was voor ten minste één van de functies. Het UWV beëindigde daarop de ZW-uitkering. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard.
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat appellant geschikt bleef voor de functies, ondanks een motiveringsgebrek dat geen gevolgen had. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn psychische en schouderbeperkingen werden onderschat en verzocht om een deskundige.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsartsen en arbeidsdeskundige hebben adequaat en overtuigend gemotiveerd dat appellant geschikt was voor ten minste één functie. Psychische klachten, waaronder suïcidale gedachten, waren in de relevante periode niet aanwezig volgens de behandelend psycholoog. Er was geen reden voor meer beperkingen of een urenbeperking. Het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering wordt bevestigd.