ECLI:NL:CRVB:2019:1576
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering terecht wegens geschiktheid voor WIA-functies ondanks klachten
Appellant had een ZW-uitkering die door het UWV werd beëindigd omdat hij geschikt werd geacht voor ten minste één van de eerder geselecteerde WIA-functies. Appellant voerde aan dat zijn beperkingen, waaronder chronische keelklachten, zwaarder wogen en dat hij niet in staat was de functies soldering operator en soldeerder te verrichten.
De rechtbank had het bezwaar van appellant tegen het besluit van het UWV ongegrond verklaard en geen aanleiding gezien om de medische beoordeling in twijfel te trekken. In hoger beroep bevestigt de Raad deze beoordeling en oordeelt dat de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige voldoende gemotiveerd hebben dat appellant geschikt is voor de genoemde functies.
Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase met bijna zes maanden is overschreden, waarvoor de Staat een schadevergoeding van €500,- moet betalen. De Staat wordt ook veroordeeld in de proceskosten van appellant voor het verzoek om schadevergoeding wegens de termijnoverschrijding.
Het verzoek van appellant om het UWV te veroordelen tot schadevergoeding wegens de beëindiging van de ZW-uitkering wordt afgewezen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam wordt bevestigd.
Uitkomst: De ZW-uitkering is terecht beëindigd wegens geschiktheid voor WIA-functies; de Staat moet €500,- schadevergoeding betalen wegens overschrijding redelijke termijn.