ECLI:NL:CRVB:2019:1562
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig servicetechnicus, vroeg een WIA-uitkering aan wegens gezondheidsklachten waaronder hartproblemen, trombose en psychische klachten. Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na bezwaar en beroep bevestigde de rechtbank deze weigering, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat rekening hield met alle klachten.
Appellant stelde in hoger beroep dat het medisch onderzoek onvolledig was en dat hij meer beperkt was dan vastgesteld, onder meer door de combinatie van zijn klachten. Hij verzocht een onafhankelijk verzekeringsarts. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, met dossieronderzoek, anamnese en psychisch onderzoek, en dat alle medisch objectieve klachten waren meegewogen. De aanvullende medische stukken gaven geen aanleiding tot twijfel aan de beoordeling van het UWV.
De Raad concludeerde dat appellant in staat wordt geacht de voor hem geselecteerde functies te vervullen en dat de weigering van de WIA-uitkering terecht is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.