ECLI:NL:CRVB:2019:1561
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering na zorgvuldige verzekeringsgeneeskundige beoordeling bevestigd
Appellante was sinds 2006 arbeidsongeschikt en ontving een WGA-uitkering. In 2015 heeft het UWV de WGA-loonaanvullingsuitkering per 3 januari 2016 beëindigd na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij de medische beoordeling en Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) juist waren vastgesteld.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de verzekeringsartsen haar beperkingen onderschatten en dat de medische beoordeling onvoldoende zorgvuldig was, mede omdat informatie van behandelaars niet was ingewonnen. Zij overhandigde aanvullende medische rapporten ter onderbouwing. Het UWV betwistte deze stellingen en vroeg bevestiging van het bestreden besluit.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief dossierstudie en onderzoek door verzekeringsartsen. De aanvullende medische informatie bood geen aanleiding tot twijfel aan de juiste vaststelling van de beperkingen. De Raad wees het verzoek tot benoeming van een medisch deskundige af en bevestigde dat de geselecteerde functies passend waren voor appellante.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Limburg bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de WGA-loonaanvullingsuitkering bevestigd.