ECLI:NL:CRVB:2019:1560
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als brug- en sluiswachter, viel uit wegens fysieke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV besloot dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geen uitkering kreeg. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit, stellende dat zijn beperkingen werden onderschat en dat er sprake was van aanvullende medische klachten.
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek door het UWV zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij verzekeringsartsen het dossier bestudeerden en appellant onderzochten. De beperkingen waren correct vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van december 2015. De rechtbank verwierp het beroep van appellant, ook omdat medische verklaringen geen nieuwe beperkingen aannemelijk maakten.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, waaronder dat een bedrijfsarts andere beperkingen had vastgesteld en dat visusklachten onvoldoende waren meegewogen. De Centrale Raad volgde het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat de beoordeling van de bedrijfsarts in een ander kader plaatsvond dan die van de verzekeringsarts. De visusklachten leidden niet tot extra beperkingen omdat appellant in het dagelijks functioneren geen specifieke beperkingen ondervond.
De Raad concludeerde dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren en dat het hoger beroep ongegrond was. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd; appellant krijgt geen WIA-uitkering en geen schadevergoeding.