ECLI:NL:CRVB:2019:1553
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onduidelijke woonsituatie en weigering huisbezoek
Appellant diende op 29 november 2016 een aanvraag om bijstand in nadat zijn eerdere bijstand was ingetrokken. Hij gaf op het aanvraagformulier een adres op waar hij volgens de basisregistratie personen stond ingeschreven. Tijdens een hoorgesprek gaf appellant aan al weken niet meer op dat adres te verblijven en verwees naar een verblijf bij een vriend op een ander adres, waarbij hij niet wilde meewerken aan een huisbezoek omdat de hoofdbewoner geen toestemming gaf.
Het college van burgemeester en wethouders van Groningen wees de aanvraag af op grond van het niet naleven van de inlichtingen- en medewerkingsplicht en het verstrekken van onjuiste en onvolledige informatie over zijn woonsituatie. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het college had vastgesteld dat hij als kostendelende medebewoner op het opgegeven adres woonde, waardoor zijn recht op bijstand vastgesteld zou kunnen worden. De Raad oordeelde echter dat de vaststelling van het recht op bijstand van de hoofdbewoner losstaat van de beoordeling van het recht op bijstand van appellant zelf, die een zelfstandig subject is.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd.