ECLI:NL:CRVB:2019:1520
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als administratief medewerker, viel sinds april 2014 uit wegens psychische klachten. Het UWV stelde bij besluit van 1 maart 2016 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, dat door het UWV ongegrond werd verklaard. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond en achtte het medisch onderzoek zorgvuldig.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij in maart 2016 niet in staat was te werken vanwege zijn psychische conditie en verwees naar een psychiatrisch rapport. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd door verzekeringsartsen en dat de medische informatie van de behandelend sector was betrokken. Hoewel sprake was van psychische en lichamelijke klachten, kon uit de rapporten geen volledige arbeidsongeschiktheid worden afgeleid.
De Raad benadrukte dat appellant geen aanvullende medische informatie had ingediend die zijn standpunt ondersteunde. De arbeidsdeskundige had bovendien de geschiktheid van appellant voor voorbeeldfuncties voldoende toegelicht. Gezien deze overwegingen werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.