ECLI:NL:CRVB:2019:1519
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling
Appellant, voormalig chef-kok, ontving sinds 2009 een WIA-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordelingen in 2013 en 2016 stelde het UWV vast dat zijn arbeidsongeschiktheid was gedaald tot onder de 35%, waarna de uitkering werd beëindigd per 17 april 2016.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat zijn beperkingen groter waren dan vastgesteld en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn medische situatie. Hij overhandigde medische rapporten van zijn revalidatiearts en behandelend specialisten ter ondersteuning. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had uitgevoerd en dat de voorbeeldfuncties passend waren.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad vond dat het medisch onderzoek deugdelijke grondslag bood en dat er geen aanleiding was voor aanvullend onderzoek of twijfel aan de belastbaarheid van appellant. Ook de stelling dat appellant te moe zou zijn om te werken werd verworpen wegens gebrek aan medische onderbouwing.
De Raad concludeerde dat appellant voldoende gelegenheid had gehad zijn standpunt toe te lichten en dat het besluit tot beëindiging van de uitkering terecht was genomen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.