ECLI:NL:CRVB:2019:1503
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken beroepsgronden in WAO-uitkeringszaak
Appellant heeft herhaaldelijk een WAO-uitkering aangevraagd, waarbij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) steeds het oorspronkelijke besluit van 1992 handhaafde dat appellant niet in aanmerking kwam voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
In 2016 werd een nieuwe aanvraag afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden. Het bezwaar hiertegen werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit niet-ontvankelijk omdat appellant geen beroepsgronden had aangevoerd en ook niet binnen de gestelde termijn had gereageerd ondanks een schriftelijke waarschuwing.
In hoger beroep stelde appellant dat wel beroepsgronden waren ingediend, maar erkende zijn gemachtigde dat deze niet tijdig waren ingediend en dat geen uitstel was gevraagd. De Raad oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van beroepsgronden zonder verschoonbare reden.