ECLI:NL:CRVB:2019:1493
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd wegens vermeende toename van arbeidsongeschiktheid. Het UWV had dit geweigerd op basis van medisch onderzoek door verzekeringsartsen, die concludeerden dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dat de beperkingen sinds 2011 niet waren toegenomen.
De rechtbank had het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond verklaard, waarbij werd overwogen dat de diagnose fibromyalgie was betrokken bij de beoordeling en dat klachten zoals hoofdpijn en schouderpijn niet leidden tot meer beperkingen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn klachten waren verergerd en dat sommige klachten ten onrechte niet waren meegewogen.
De Raad heeft het medisch onderzoek van het UWV en de eerdere beoordelingen bevestigd. Er is geen nieuwe medische informatie die een toename van beperkingen aantoont die voortkomt uit dezelfde oorzaak als tijdens de wachttijd. De klachten aan de linkerschouder en hoofdpijn zijn niet gerelateerd aan de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid.
Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en is de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De afwijzing van de WIA-uitkering wegens onvoldoende toegenomen arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.