ECLI:NL:CRVB:2019:149
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding kosten naamswijziging voor tweede-generatieoorlogsslachtoffer
Appellant, een tweede-generatieoorlogsslachtoffer, verzocht om vergoeding van kosten voor een naamswijziging om de naam van zijn overleden Joodse moeder te dragen in plaats van die van zijn stiefvader. Hij stelde dat deze wijziging hem rust zou geven en een erkenning van zijn Joodse achtergrond zou betekenen.
De Sociale verzekeringsbank wees dit verzoek af omdat niet is gebleken dat de naamswijziging als medische behandeling of verpleging kan worden aangemerkt, noch dat er een direct verband bestaat tussen de naamswijziging en de psychische klachten die appellant ervaart als gevolg van de vervolgingsgevolgen van zijn moeder.
De Raad overwoog dat de negatieve relatie met de stiefvader de reden is voor de naamswijziging, maar dat dit niet rechtstreeks samenhangt met de vervolgingsgevolgen. De Raad verwierp het beroep en handhaafde het bestreden besluit, zonder proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van vergoeding van kosten voor naamswijziging wordt ongegrond verklaard.