Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:1447

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 april 2019
Publicatiedatum
29 april 2019
Zaaknummer
18/1358 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buiten behandeling stelling aanvraag bijstand wegens niet tijdig overleggen gegevens

Appellante diende op 11 mei 2017 een aanvraag om bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het college stelde deze aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat appellante niet binnen de gestelde termijn de gevraagde gegevens, waaronder bankafschriften, had ingeleverd.

Appellante voerde aan dat het college niet redelijkerwijs van deze bevoegdheid gebruik had kunnen maken, mede vanwege haar lichte verstandelijke beperking en problemen met het openen van post en het onthouden van afspraken. De Raad oordeelde echter dat deze omstandigheden geen bijzondere reden vormen om het niet tijdig aanleveren van gegevens te rechtvaardigen, temeer daar appellante in staat was haar belangen te behartigen of hulp in te schakelen.

Op 9 juni 2017 diende appellante een nieuwe aanvraag in, welke door het college werd toegekend met ingang van die datum. De Raad verwierp het beroep op bijzondere omstandigheden voor bijstandsverlening met terugwerkende kracht naar 11 mei 2017. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd bevestigd en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand van 11 mei 2017 is terecht buiten behandeling gesteld; de nieuwe aanvraag van 9 juni 2017 is toegekend.

Uitspraak

18.1358 PW-PV, 18/1417 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 23 april 2019
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2018, 17/5825 en 17/5826 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (college)
Zitting heeft: G.M.G. Hink
Griffier: L. Hagendijk
Namens appellante is verschenen mr. B.B.A. Willering, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het college heeft de aanvraag om bijstand van appellante van 11 mei 2017 met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling gesteld, omdat appellante de door het college gevraagde gegevens, waaronder bankafschriften, niet binnen de gegeven termijn heeft ingeleverd.
Niet in geschil is dat appellante de gevraagde gegevens niet heeft verstrekt binnen de bij brief van 18 mei 2017 gegeven termijn. Evenmin is in geschil dat de gevraagde gegevens van belang zijn voor de beoordeling van de aanvraag en dat appellante daarover beschikte of redelijkerwijs kon beschikken. Appellante heeft aangevoerd dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid de aanvraag buiten behandeling te stellen. De stelling van appellante dat zij licht verstandelijk gehandicapt is, haar post vaker niet opent, afspraken vergeet en gesprekken niet tot haar doordringen kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid waardoor haar geen verwijt kan worden gemaakt van het niet tijdig overleggen van de gevraagde gegevens. De brief van het Leger des Heils van 17 mei 2018 leidt niet tot een ander oordeel. In dit verband is van betekenis dat appellante in staat was zich tot het college te wenden om bijstand aan te vragen en niet is gebleken dat zij niet in staat was haar belangen te behartigen, dan wel hierbij hulp van een derde in te schakelen. Het college was bevoegd de aanvraag van 11 mei 2017 buiten behandeling te stellen, zodat deze in stand blijft.
Appellante heeft zich op 9 juni 2017 opnieuw gemeld om bijstand aan te vragen. Het college heeft deze aanvraag om bijstand met ingang van 9 juni 2017 toegekend. Het college heeft het bezwaar tegen de ingangsdatum ongegrond verklaard.
Appellante heeft aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die bijstandsverlening met terugwerkende kracht vanaf 11 mei 2017 rechtvaardigen. Appellante heeft daartoe gewezen op het feit dat zij de gevraagde gegevens – in het kader van de aanvraag van 11 mei 2017 – op 16 juni 2017 bij het college heeft ingeleverd. Deze beroepsgrond slaagt niet. De door appellante aangevoerde omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Dat appellante eerder gegevens heeft ingeleverd, wat hier ook van zij, kan niet leiden tot het alsnog toekennen van bijstand met ingang van 11 mei 2017. Die aanvraag is immers door het college terecht buiten behandeling gesteld. De stelling van appellante dat zij licht verstandelijk gehandicapt is kan evenmin worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid. In dit verband is van betekenis dat appellante in staat was zich tot het college te wenden om bijstand aan te vragen en niet is gebleken dat zij niet in staat was haar belangen te behartigen, dan wel hierbij hulp van een derde in te schakelen. Dit betekent dat de bijstand terecht per 9 juni 2017 en niet al per 11 mei 2017 is toegekend.
Het hoger beroep slaagt niet.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) L. Hagendijk (getekend) G.M.G. Hink