ECLI:NL:CRVB:2019:1447
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buiten behandeling stelling aanvraag bijstand wegens niet tijdig overleggen gegevens
Appellante diende op 11 mei 2017 een aanvraag om bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het college stelde deze aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat appellante niet binnen de gestelde termijn de gevraagde gegevens, waaronder bankafschriften, had ingeleverd.
Appellante voerde aan dat het college niet redelijkerwijs van deze bevoegdheid gebruik had kunnen maken, mede vanwege haar lichte verstandelijke beperking en problemen met het openen van post en het onthouden van afspraken. De Raad oordeelde echter dat deze omstandigheden geen bijzondere reden vormen om het niet tijdig aanleveren van gegevens te rechtvaardigen, temeer daar appellante in staat was haar belangen te behartigen of hulp in te schakelen.
Op 9 juni 2017 diende appellante een nieuwe aanvraag in, welke door het college werd toegekend met ingang van die datum. De Raad verwierp het beroep op bijzondere omstandigheden voor bijstandsverlening met terugwerkende kracht naar 11 mei 2017. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd bevestigd en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand van 11 mei 2017 is terecht buiten behandeling gesteld; de nieuwe aanvraag van 9 juni 2017 is toegekend.