ECLI:NL:CRVB:2019:1446
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Aanvraag bijstand buiten behandeling gesteld wegens niet tijdig overleggen bankafschriften
Appellante heeft op 18 november 2016 bijstand aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college stelde de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat appellante de gevraagde bankafschriften van de Groei Groter Rekening niet binnen de gestelde termijn had overgelegd.
Uit het dossier bleek dat appellante deze bankafschriften pas in bezwaar heeft ingediend, terwijl het college terecht oordeelde dat de aanvraag daarmee incompleet bleef. Het belang van deze bankafschriften voor de beoordeling van de aanvraag stond niet ter discussie, noch dat appellante redelijkerwijs over deze stukken kon beschikken.
De beroepsgrond dat het college ten onrechte de aanvraag buiten behandeling stelde omdat het stadium van inhoudelijke beoordeling al was aangebroken, werd verworpen. Het enkele feit dat het college de reeds ingeleverde gegevens nader heeft bekeken, betekent niet dat het stadium van inhoudelijke beoordeling was bereikt. Ook het overleggen van bewijsstukken van stortingen op een andere rekening veranderde hier niets aan.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te stellen wegens het ontbreken van de concrete en objectieve gegevens. Het hoger beroep werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag bijstand wordt buiten behandeling gesteld wegens het niet tijdig overleggen van de gevraagde bankafschriften.