ECLI:NL:CRVB:2019:1428

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 april 2019
Publicatiedatum
26 april 2019
Zaaknummer
18/1190 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:2 AwbArt. 4:5 AwbArt. 7:11 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buiten behandeling stelling bijzondere bijstand aanvraag wegens niet tijdig aanleveren gegevens

In deze zaak heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor kosten van rechtsbijstand en griffierecht buiten behandeling gesteld. Dit gebeurde omdat appellante niet tijdig alle gevraagde gegevens had overgelegd binnen de door het college gestelde hersteltermijn.

Appellante heeft in bezwaar alsnog gegevens overgelegd, maar deze zijn buiten beschouwing gelaten. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond. Appellante voerde aan dat de aanvraag alsnog inhoudelijk beoordeeld moest worden omdat de ontbrekende informatie in bezwaar was verstrekt, maar deze beroepsgrond werd verworpen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te stellen op grond van artikel 4:5 Awb Pro, omdat de gevraagde gegevens niet tijdig waren aangeleverd terwijl appellante redelijkerwijs over deze gegevens kon beschikken. Het besluit tot buiten behandeling stelling brengt in beginsel een einde aan het besluitvormingstraject, waardoor later overgelegde gegevens geen invloed hebben.

De Raad benadrukte dat alleen indien betrokkene aannemelijk maakt dat hij redelijkerwijs niet in staat was de gegevens tijdig te verstrekken, hiervan kan worden afgeweken. Appellante is hierin niet geslaagd. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand is terecht buiten behandeling gesteld wegens het niet tijdig aanleveren van gevraagde gegevens.

Uitspraak

18.1190 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 februari 2018, 17/4352 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 9 april 2019
Zitting heeft: A.B.J. van der Ham als lid van de enkelvoudige kamer.
Griffier: A.M. Pasmans
Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. A. Zonneveld en mr. L. van den Buijs.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Waar het in deze zaak om gaat is dat het college de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand en kosten van griffierecht op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling heeft gesteld omdat appellante niet tijdig alle gevraagde gegevens heeft overgelegd. De door appellante alsnog in bezwaar overgelegde gegevens heeft het college buiten beschouwing gelaten. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellante heeft in de kern aangevoerd dat, nu ontbrekende informatie in bezwaar is verstrekt, de aanvraag alsnog inhoudelijk dient te worden beoordeeld. Door dit niet te doen wordt het systeem van algehele heroverweging op zijn kop gezet. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
Niet in geschil is dat de gevraagde gegevens niet zijn verstrekt binnen de in de brief van
1 maart 2017 gegeven hersteltermijn. Evenmin is in geschil dat appellante tijdig beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over de gevraagde gegevens en deze tijdig had kunnen overleggen.
Met een besluit van een bestuursorgaan een aanvraag buiten behandeling te stellen, komt in beginsel een eind aan het besluitvormingstraject. Aard en inhoud van het besluit dat strekt tot het buiten behandeling laten van de aanvraag om bijstand brengen mee dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het nemen van dat besluit alsnog zijn verstrekt. Hieruit volgt dat een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op bezwaar in het kader van zijn bestuurlijke heroverweging ingevolge artikel 7:11 van Pro de Awb eerst en vooral dient te beoordelen of het primaire besluit tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag rechtmatig was, waarbij het bestuursorgaan rekening mag houden met het bijzondere karakter van een besluit genomen krachtens artikel 4:5 van Pro de Awb. De omstandigheid dat ontbrekende gegevens na het nemen van het primaire besluit alsnog zijn overgelegd, behoort niet tot de wijzigingen in de situatie die bij voormelde heroverweging in aanmerking moeten worden genomen. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien de betrokkene aannemelijk maakt dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest om de gevraagde gegevens of bescheiden binnen de gegeven hersteltermijn te verstrekken. Appellante is daarin niet geslaagd.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, was het college bevoegd de aanvraag van appellante buiten behandeling te laten. Wat appellante heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.
Het hoger beroep slaagt dus niet.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) A.M. Pasmans (getekend) A.B.J. van der Ham
md