ECLI:NL:CRVB:2019:1410
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over mate van arbeidsongeschiktheid per 14 september 2015
Appellant, werkzaam als medewerker logistieke distributie, meldde zich in 2007 ziek met knie- en psychische klachten. Het UWV kende hem vanaf 2010 een WGA-uitkering toe met 100% arbeidsongeschiktheid, die in 2012 werd voortgezet met een ongewijzigde mate van arbeidsongeschiktheid. In 2015 stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 14 september 2015, gebaseerd op een verzekeringsartsrapport, een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een arbeidsdeskundig onderzoek.
Na bezwaar en beroep handhaafde het UWV dit besluit met een aangepast FML van augustus 2016, waarin slechts een technische aanpassing was verwerkt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen passend waren bij de ernst van de aandoeningen. De rechtbank vond de geselecteerde voorbeeldfuncties actueel en passend.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren en voerde een verklaring van zijn Egyptische psychiater aan, maar leverde geen nieuwe medische informatie. De Raad onderschreef het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de verklaring geen aanleiding gaf tot een ander oordeel over de beperkingen per 14 september 2015. De Raad bevestigde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, de beperkingen juist waren vastgesteld en dat de functies passend en actueel waren.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor benoeming van een deskundige of voor het toekennen van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 14 september 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wijst het hoger beroep af.