ECLI:NL:CRVB:2019:1408
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek en beoordeling beperkingen
Appellante, laatstelijk werkzaam als assistent filiaalmanager, vroeg een WIA-uitkering aan wegens nek-, schouder-, hoofdpijn- en psychische klachten. Het UWV weigerde de uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht, gebaseerd op een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en medische rapporten.
Na bezwaar en beroep handhaafde het UWV het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en vond dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de beperkingen in de FML voldoende waren gemotiveerd. Appellante voerde aan dat zij meer beperkingen had, ondersteund door neuropsychologische en neurologische expertises, maar deze werden door de verzekeringsarts niet als voldoende onderbouwd beschouwd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de FML een juist beeld gaf van de beperkingen. De Raad volgde de verzekeringsarts in het oordeel dat de aanvullende beperkingen niet objectief en rechtstreeks het gevolg van ziekte waren. Appellante wordt geacht de geselecteerde functies te kunnen vervullen. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd geweigerd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en appellante heeft geen recht op een WIA-uitkering.