ECLI:NL:CRVB:2019:1391
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging zorgvuldig medisch onderzoek UWV bij beëindiging Ziektewetuitkering
Appellant was werkzaam als orderpicker en meldde zich op 9 mei 2016 ziek met psychische klachten terwijl hij een WW-uitkering ontving. Op 19 mei 2016 bezocht hij een verzekeringsarts die hem per 20 mei 2016 geschikt achtte voor zijn arbeid. Het UWV beëindigde daarop de Ziektewetuitkering, wat appellant betwistte.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de conclusie dat appellant geschikt was voor zijn werk kon worden gedragen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had het dossier bestudeerd en een eigen onderzoek verricht. Nieuwe medische informatie leidde niet tot een ander oordeel.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, onder meer vanwege de korte hoorzitting en het ontbreken van opgevraagde medische gegevens over nieuwe medicatie en slaapstoornissen. De Raad oordeelde dat de gronden een herhaling waren en onderschreef de rechtbank. Een verzekeringsarts mag in beginsel op eigen oordeel varen en hoeft alleen medische informatie op te vragen als dat relevant is voor het oordeel.
De Raad concludeerde dat er geen aanleiding was tot twijfel aan het oordeel van de verzekeringsarts en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.