ECLI:NL:CRVB:2019:1391

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 april 2019
Publicatiedatum
24 april 2019
Zaaknummer
17/5044 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging zorgvuldig medisch onderzoek UWV bij beëindiging Ziektewetuitkering

Appellant was werkzaam als orderpicker en meldde zich op 9 mei 2016 ziek met psychische klachten terwijl hij een WW-uitkering ontving. Op 19 mei 2016 bezocht hij een verzekeringsarts die hem per 20 mei 2016 geschikt achtte voor zijn arbeid. Het UWV beëindigde daarop de Ziektewetuitkering, wat appellant betwistte.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de conclusie dat appellant geschikt was voor zijn werk kon worden gedragen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had het dossier bestudeerd en een eigen onderzoek verricht. Nieuwe medische informatie leidde niet tot een ander oordeel.

In hoger beroep voerde appellant aan dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, onder meer vanwege de korte hoorzitting en het ontbreken van opgevraagde medische gegevens over nieuwe medicatie en slaapstoornissen. De Raad oordeelde dat de gronden een herhaling waren en onderschreef de rechtbank. Een verzekeringsarts mag in beginsel op eigen oordeel varen en hoeft alleen medische informatie op te vragen als dat relevant is voor het oordeel.

De Raad concludeerde dat er geen aanleiding was tot twijfel aan het oordeel van de verzekeringsarts en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

17.5044 ZW

Datum uitspraak: 24 april 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2017, 16/6122 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F.S. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2019. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als orderpicker voor 40 uur per week. Zijn dienstverband is op 28 februari 2014 geëindigd. Appellant heeft zich op 9 mei 2016 ziek gemeld met psychische klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
1.2.
Op 19 mei 2016 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 20 mei 2016 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van orderpicker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 19 mei 2016 vastgesteld dat appellant per 20 mei 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 22 augustus 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 augustus 2016 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie, dat appellant met ingang van 20 mei 2016 weer geschikt moet worden geacht tot het verrichten van zijn arbeid in de functie van orderpicker, kan dragen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd en – zij het kort – een eigen medisch onderzoek verricht. In het rapport van 3 oktober 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep helder uiteengezet dat de wijzigingen in de medicatie van appellant eerst tien weken na de datum in geding zijn aangebracht. De bijwerkingen die deze medicatie met zich brengt heeft de rechtbank, nog los van de omstandigheid dat appellant niet heeft aangetoond dat hij deze bijwerkingen ook daadwerkelijk ondervindt, daarom onbesproken gelaten. De in beroep ingebrachte medische informatie kan volgens de rechtbank niet leiden tot een ander oordeel.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat voldoende zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij heeft appellant onder meer gewezen op de korte duur van de hoorzitting in tegenwoordigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ten onrechte is de rechtbank er volgens appellant voorts vanuit gegaan dat er geen indicatie bestond voor het opvragen van medische gegevens bij zijn behandelend artsen. Hij heeft immers meer klachten en beperkingen en nieuwe medicatie voorgeschreven gekregen in verband met een ernstige slaapstoornis. Bovendien was zijn huidige recept voor antidepressivum juist opgehoogd. Deze omstandigheden hadden reden moeten zijn om medische informatie op te vragen. Het bestreden besluit is dan ook gebaseerd op onjuiste, althans onvolledige, feiten en uitgangspunten en is op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
4.2.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven.
4.3.
Daar wordt het volgende aan toegevoegd. Het standpunt van appellant dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding had moeten zien om medische informatie bij zijn behandelaren op te vragen, wordt niet gevolgd. Een verzekeringsarts mag in beginsel varen op zijn eigen oordeel. Raadpleging van de behandelend artsen is aangewezen in die gevallen waarin reeds een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, welke een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of indien een betrokkene stelt dat een behandelend arts een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen. Geen van beide situaties heeft zich hier voorgedaan. In de rapporten van 3 oktober 2016 en 19 december 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk uiteengezet dat ten tijde van het spreekuur van de verzekeringsarts geen sprake was van onduidelijkheid over de stoornis en de gevolgde behandeling. Deze bevindingen komen overeen met hetgeen appellant op de hoorzitting van 8 augustus 2016 over zijn stoornis en behandeling verklaarde. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dan ook op goede gronden kunnen volstaan met het onder 2 beschreven onderzoek zonder nadere informatie bij de behandelend artsen in te winnen.
5. De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van P.B. van Onzenoort als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2019.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

VC