ECLI:NL:CRVB:2019:137
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere vaststelling en terugvordering persoonsgebonden budget AWBZ wegens niet-naleving administratieve verplichtingen
In deze zaak ging het om het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, waarin het beroep van appellant tegen het besluit van het zorgkantoor werd afgewezen. Het zorgkantoor had de persoonsgebonden budgetten (pgb’s) over 2013 en 2014 lager vastgesteld en onverschuldigd betaalde voorschotten teruggevorderd omdat appellant niet voldeed aan de administratieve verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa).
De rechtbank oordeelde dat de door appellant aangevoerde zorg niet als AWBZ-zorg kon worden aangemerkt en dat de verantwoording van de kosten onvoldoende was, onder meer vanwege onduidelijke zorgovereenkomsten en het ontbreken van urenspecificaties en nota’s. Hierdoor was het zorgkantoor bevoegd om de pgb’s lager vast te stellen en terug te vorderen.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij alles heeft gedaan om de pgb’s inzichtelijk te verantwoorden, maar dat de administratieve eisen te ingewikkeld zijn. De Raad stelt echter dat ondanks deze inspanning de eigen verantwoordelijkheid voor de verantwoording bij de verzekerde ligt en dat bij onvoldoende aannemelijkheid en inzichtelijkheid van de verleende en betaalde zorg het belang van handhaving van de administratieve verplichtingen prevaleert.
De Raad concludeert dat het zorgkantoor terecht heeft gehandeld en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de lagere vaststelling en terugvordering van de pgb’s wordt bevestigd.