ECLI:NL:CRVB:2019:1337

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 april 2019
Publicatiedatum
17 april 2019
Zaaknummer
18-3194 WLZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens te late indiening persoonsgebonden budget

Het zorgkantoor heeft het persoonsgebonden budget van appellant per 1 september 2017 beëindigd. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het zorgkantoor verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening. De rechtbank bevestigde dit standpunt en verklaarde het beroep ongegrond.

Appellant stelde in hoger beroep dat hij tijdig bezwaar had ingediend met een bezwaarschrift van 28 augustus 2017, waarvan de ontvangst op 13 september 2017 telefonisch was bevestigd door het zorgkantoor. Deze bevestiging ontbrak echter in de schriftelijke notitie, wat volgens appellant te wijten was aan gebrekkige registratie.

De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat het bezwaar tijdig was ingediend en vond zijn stellingen niet geloofwaardig, mede omdat appellant het bezwaarschrift later opnieuw had ingediend. Zonder bewijsstukken en verschoonbare termijnoverschrijding werd het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het bezwaar van appellant is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

18.3194 WLZ

Datum uitspraak: 17 april 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
26 april 2018, 17/8604 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
VGZ Zorgkantoor B.V. (zorgkantoor)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 6 maart 2019. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Het zorgkantoor heeft in een besluit van 2 augustus 2017 het aan appellant verleende persoonsgebonden budget per 1 september 2017 beëindigd. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Het zorgkantoor heeft in een besluit van 23 november 2017 (bestreden besluit) het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant te laat bezwaar heeft gemaakt. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft het zorgkantoor zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat appellant zijn bezwaarschrift te laat heeft ingediend.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij wel tijdig bezwaar heeft ingediend, namelijk met een bezwaarschrift van 28 augustus 2017. Tijdens een telefoongesprek van 13 september 2017 met een medewerker van het zorgkantoor, heeft deze desgevraagd meegedeeld dat het bezwaarschrift van
28 augustus 2017 die dag was binnengekomen. Dat deze mededeling niet blijkt uit de notitie die van dat gesprek is opgemaakt, is te wijten aan de gebrekkige registratie van telefoongesprekken bij het zorgkantoor.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor het toepasselijk wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.
4.2.
De termijn voor het maken van bezwaar tegen het besluit van 2 augustus 2017 eindigde op 13 september 2017. In geschil is of appellant vóór afloop van die termijn bezwaar heeft gemaakt. Voorop staat dat het aan appellant is om aannemelijk te maken dat tijdig een bezwaarschrift is ingediend. Daarin is hij niet geslaagd. Appellant heeft wel gesteld dat hij het bezwaarschrift al rond 28 augustus 2017 per post heeft ingestuurd en het zorgkantoor de ontvangst daarvan op 13 september 2017 telefonisch heeft bevestigd, maar hij heeft deze stelling niet nader onderbouwd met bewijsstukken. Daar komt bij dat deze stelling niet geloofwaardig is. Niet valt namelijk in te zien waarom appellant in die omstandigheden ervoor zou kiezen om datzelfde bezwaarschift op 30 september 2017 nogmaals (via DigiD) in te dienen, zoals door hem is gesteld in het aanvullend beroepschrift van 12 februari 2018.
4.3.
Nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend en van een verschoonbare termijnoverschrijding niet is gebleken, slaagt het hoger beroep niet.
Dit betekent dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2019.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) D.S. Barthel
lh