ECLI:NL:CRVB:2019:1333
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag gehandicaptenparkeerkaart bij loopbeperking en medische adviezen
Appellant vroeg op 24 april 2015 een gehandicaptenparkeerkaart (GPK) aan bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het college wees de aanvraag op 16 oktober 2015 af, gebaseerd op medische adviezen van de GGD waarin werd geconcludeerd dat appellant met gebruikelijke loophulpmiddelen zelfstandig meer dan 100 meter kan lopen. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 9 augustus 2016 werd afgewezen. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep stelde appellant dat hij vanwege een loopbeperking niet in staat is om 100 meter aaneengesloten te lopen, verwijzend naar een medisch advies van de MO-zaak, een verklaring van een fysiotherapeut en een ziekenhuisopname in Turkije. De Raad oordeelde dat de medische adviezen van de GGD zorgvuldig tot stand zijn gekomen, waarbij onder meer observaties en recente medische informatie zijn betrokken. De Raad vond geen aanleiding om de conclusies van de GGD te verwerpen.
De Raad benadrukte dat het advies van de MO-zaak niet aantoonde dat appellant niet zelfstandig 100 meter kan lopen met loophulpmiddelen, en dat het verstrekken van een driewielfiets aan appellant niet relevant is voor de beoordeling van de GPK-aanvraag. De Raad wees erop dat appellant een nieuwe aanvraag kan indienen als zijn situatie wijzigt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de gehandicaptenparkeerkaart bevestigd.