ECLI:NL:CRVB:2019:1331
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende medische grondslag
Appellante meldde zich op 22 februari 2016 ziek terwijl zij een Werkloosheidswetuitkering ontving. Eerder was haar aanvraag voor een WIA-uitkering per 15 september 2014 geweigerd, een beslissing die in hoger beroep standhield. Op 13 juni 2016 beoordeelde een verzekeringsarts haar als geschikt voor functies als productiemedewerker en snackbereider, waarna het Uwv haar Ziektewetuitkering per 20 juni 2016 beëindigde.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het Uwv en later door de rechtbank werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren dat de beoordeling onjuist was. Appellante voerde in hoger beroep grotendeels dezelfde argumenten aan, waaronder taalproblemen en het verzoek om een deskundige, maar deze werden niet gevolgd.
De Raad stelde vast dat appellante voldoende gelegenheid had gehad om haar klachten te betwisten en medische stukken in te dienen, waaronder van behandelaars uit Turkije. Er waren echter geen nieuwe medische stukken die het standpunt ondersteunden dat zij op de datum in kwestie niet in staat was de genoemde functies te vervullen. Het verzoek om een deskundige werd afgewezen en de beëindiging van de Ziektewetuitkering werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het Uwv terecht de Ziektewetuitkering heeft beëindigd.