Appellant, werkzaam als toezichthouder, viel uit door een gebroken kuitbeen en psychische klachten en vroeg een loongerelateerde WGA-uitkering aan. Het UWV stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheid van 66,52% vast, later verhoogd naar 70,48% na bezwaar, met een medische en arbeidskundige herbeoordeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreef dat appellant tussen 2013 en 2015 volledig arbeidsongeschikt was en dat de beperkingen vanaf augustus 2015 adequaat waren weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar zijn ernstige longklachten, depressieve stoornis en andere aandoeningen, en dat er sprake was van een progressief ziektebeeld. De Raad concludeerde echter dat het neuropsychologisch onderzoek geen aanwijzingen gaf voor progressie en dat de beperkingen in de FML toereikend waren. Ook het aanvullende onderzoek in november 2018 bevestigde dit oordeel.
De Raad oordeelde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid op goede gronden had vastgesteld en dat het hoger beroep niet slaagde. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.