ECLI:NL:CRVB:2019:1311
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op ziekengeld na eerstejaars Ziektewet-beoordeling
Appellant, laatst werkzaam als medewerker tuinbouw, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten en ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Na een eerstejaars Ziektewet-beoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige werd vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten maar wel geschikt is voor andere functies waarmee hij 91,99% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) besloot daarom het ziekengeld per 1 juli 2016 te beëindigen. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank, die het besluit bevestigde. In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren over de juistheid van de beperkingen en geschiktheid voor bepaalde functies.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst juist waren vastgesteld. De Raad vond ook dat de functie medewerker intern transport passend was, ondanks gehoorschade van appellant, en dat het opleidingsniveau van de functies overeenkwam met zijn achtergrond.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld wordt bevestigd.