ECLI:NL:CRVB:2019:1296
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens te lang verblijf in het buitenland zonder acute noodsituatie
In deze zaak gaat het om het hoger beroep tegen de intrekking en terugvordering van bijstand vanwege een te lang verblijf in het buitenland van appellant van 14 augustus 2017 tot en met 12 september 2017.
Appellant voerde aan dat zeer dringende redenen, zoals bedoeld in artikel 16 van Pro de Participatiewet, aanwezig waren vanwege zijn gezondheidssituatie die een tijdige terugkeer naar Nederland zou hebben verhinderd. De medische gegevens lieten echter niet zien dat appellant niet kon reizen, alleen dat hij 28 dagen niet kon werken.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een acute noodsituatie die het verlenen van bijstand onvermijdelijk maakte. Daarom werd het beroep op artikel 16 PW Pro verworpen en de intrekking van de bijstandsuitkering bevestigd.
Het hoger beroep werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens te lang verblijf in het buitenland wordt bevestigd omdat geen acute noodsituatie is aangetoond.