ECLI:NL:CRVB:2019:1287
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.B. Kleiss
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 50,45% door UWV na hoger beroep
Appellant, voormalig productiemedewerker, meldde zich ziek sinds juli 2012 en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 40,41%. Na verslechtering van zijn gezondheid werd dit percentage door het UWV aangepast en uiteindelijk vastgesteld op 39,78%. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat het UWV in beroep de arbeidskundige grondslag wijzigde en stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 50,45%.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat zijn fysieke en psychische klachten zijn onderschat en dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Hij verwees naar medische rapporten en stelde dat een taalbarrière hem belemmerde in het werk. Het UWV handhaafde het standpunt dat de vaststelling juist was.
De Raad concludeerde dat de rechtbank de beroepsgronden van appellant afdoende heeft gemotiveerd weerlegd. De psychische klachten zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep meegewogen, en er is geen objectief medisch bewijs dat beperkingen zijn onderschat. De taalbarrière werd niet concreet onderbouwd en de functies zijn passend bij het opleidingsniveau van appellant.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep van appellant. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld op 50,45%.