ECLI:NL:CRVB:2019:1275
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging ZW-uitkering wegens onvoldoende onderbouwing geschiktheid huishoudelijke hulp
Appellante was werkzaam als huishoudelijke hulp en meldde zich ziek met klachten aan haar handen. Na beëindiging van het dienstverband werd zij ziekengeld toegekend op grond van de Ziektewet. Het UWV besloot de uitkering per 15 februari 2016 te beëindigen, omdat zij geschikt zou zijn voor haar laatst verrichte arbeid. Dit besluit werd door de rechtbank bevestigd.
In hoger beroep stelde appellante dat zij vanwege seronegatieve artritis niet in staat was haar werkzaamheden uit te voeren, ondanks het gebruik van hulpmiddelen. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek van de verzekeringsarts op 1 juni 2016 meer en andere beperkingen constateerde dan het eerdere onderzoek van de bedrijfsarts. Gezien het essentiële gebruik van beide handen in haar functie en de onduidelijkheid of hulpmiddelen deze beperkingen kunnen compenseren, is onvoldoende gemotiveerd dat zij geschikt is.
De Raad vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank en droeg het UWV op een nieuwe beslissing te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en werd bepaald dat tegen de nieuwe beslissing alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuwe beslissing nemen.