ECLI:NL:CRVB:2019:1257
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Appellant, een voormalig inpakmedewerker, meldde zich in 2011 ziek met diverse lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde in 2012 vast dat hij geen recht had op een WIA-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na bezwaar en beroep werden enkele beperkingen toegevoegd, maar de mate van arbeidsongeschiktheid bleef onder de grens voor uitkering.
In 2015 stelde appellant een verslechtering van zijn gezondheid vast, met klachten zoals nekpijn, psychische problemen, evenwichtsstoornissen en slaapapneu. Het UWV voerde een nieuw onderzoek uit en handhaafde het besluit dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen adequaat waren gemotiveerd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de slaapapneu geen nieuwe klacht was en dat zijn klachten waren toegenomen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen nieuwe medische informatie was die het eerdere oordeel zou wijzigen. De Raad bevestigde dat de beperkingen juist waren vastgesteld, dat de slaapapneu en evenwichtsstoornissen niet uit dezelfde ziekteoorzaak voortkomen, en dat appellant geschikt is voor de geselecteerde functies. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.