ECLI:NL:CRVB:2019:1245
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling hoogte boete wegens schending inlichtingenplicht in WW-uitkering
Appellant was vanaf februari 2012 werkzaam bij een werkgever en diende in februari 2015 een WW-uitkeringsaanvraag in. Het Uwv verstrekte voorschotten, maar stelde later vast dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden door niet te melden dat hij bleef werken bij zijn ex-werkgever. Hierdoor legde het Uwv een boete op en vorderde onverschuldigd betaalde voorschotten terug.
De rechtbank had de boete verlaagd naar €1.300, maar hield de boete verder in stand. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat hij wel melding had gemaakt van zijn werkhervatting en dat het Uwv onjuist had geïnformeerd over bezwaar- en beroepstermijnen. Tevens stelde hij dat de gemiste WW-uitkering in juni en juli 2015 in mindering had moeten worden gebracht.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden en dat het Uwv terecht een boete oplegde. Wel stelde de Raad vast dat het Uwv de boete onjuist had afgerond op een veelvoud van €10, wat niet meer is toegestaan sinds 1 januari 2017. Daarom werd de boete vastgesteld op €1.292,49. Tevens werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van gemaakte kosten en terugbetaling van onverschuldigde bedragen met wettelijke rente.
Uitkomst: De boete wegens schending van de inlichtingenplicht wordt vastgesteld op €1.292,49 en het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van kosten en terugbetaling met rente.