Uitspraak
18.294 WSF
mr. drs. E.H.A. van den Berg.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante stelde beroep in tegen een besluit van 26 juni 2017, maar dit beroep werd door de rechtbank Oost-Brabant niet-ontvankelijk verklaard omdat het na de wettelijke termijn van zes weken was ingediend. De beroepstermijn liep tot en met 9 augustus 2017, terwijl het beroepschrift pas op 10 augustus 2017 werd gepost en op 11 augustus 2017 door de rechtbank werd ontvangen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar medische gesteldheid haar verhinderde om tijdig beroep in te stellen. De minister liet de medische gegevens beoordelen door een medisch adviseur, die concludeerde dat de medische situatie geen belemmering vormde voor tijdig reageren. De Raad volgde dit advies en oordeelde dat appellantes medische problematiek geen verschoonbare reden vormde.
Verder wees de Raad erop dat het beroepschrift weliswaar op 5 augustus 2017 was gedateerd, dus binnen de termijn, maar dat het te laat versturen voor appellante risico was. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.