Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:1212

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 april 2019
Publicatiedatum
4 april 2019
Zaaknummer
17/7875 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbAlgemene nabestaandenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding bij intrekking nabestaandenuitkering

Appellant maakte bezwaar tegen besluiten van de Sociale verzekeringsbank (Svb) uit 2009 waarin zijn nabestaandenuitkering werd ingetrokken en een terugvordering werd vastgesteld. Hij stelde dat hij door zijn detentie niet tijdig bezwaar kon maken. De Svb verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder verschoonbare reden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant verantwoordelijk was voor het tijdig kennisnemen van zijn post, ook tijdens detentie. In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De detentie werd niet als verschoonbare reden erkend, mede omdat appellant een postbus had en contact had met de Svb over de besluiten.

De Raad bevestigde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en dat het beroep niet slaagt. De inhoudelijke beoordeling van de hoogte van de betalingscapaciteit werd niet meer behandeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het bezwaar van appellant is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

17.7875 ANW

Datum uitspraak: 4 april 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 november 2017, 17/3364 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2019. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

1.1.
De Svb heeft bij besluit van 24 augustus 2009 de aan appellant verstrekte nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet met ingang van 15 februari 2009 ingetrokken omdat appellant op die datum een maand in detentie verbleef. Bij afzonderlijk besluit van 24 augustus 2009 is de ten onrechte verstrekte uitkering teruggevorderd tot een netto bedrag van € 3.929,24. Bij besluit van 23 november 2009 heeft de Svb de betalingscapaciteit van appellant vastgesteld op een bedrag van € 330,- per maand.
1.2.
Bij besluit van 25 augustus 2010 is de nabestaandenuitkering met ingang van 8 juli 2010 weer toegekend omdat appellant met ingang van die datum niet meer gedetineerd was.
1.3.
Bij brief van 13 februari 2017 is namens appellant bezwaar gemaakt tegen de onder 1.1 vermelde besluiten van 24 augustus 2009 en 23 november 2009. In dat kader is aangevoerd dat appellant niet in de gelegenheid was tijdig bezwaar te maken, omdat hij gedetineerd was.
1.4.
De Svb heeft bij besluit van 24 maart 2017 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 24 augustus 2009 en 23 november 2009 niet‑ontvankelijk verklaard omdat het na de bezwaartermijn is ontvangen en appellant geen reden heeft gegeven waarom hij te laat bezwaar heeft gemaakt.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het bezwaar tegen de besluiten van 24 augustus 2009 en 23 november 2009 niet tijdig is ingediend en er geen grond is voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het lag op de weg van appellant om gedurende zijn detentie maatregelen te treffen waardoor hij kennis kon nemen van zijn post.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij door zijn detentie niet tijdig in bezwaar kon gaan.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ter zitting heeft appellant te kennen gegeven dat uitsluitend het besluit van 23 november 2009 wordt bestreden.
4.2.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het bezwaar tegen het besluit van 23 november 2009 niet tijdig is ingediend. Appellant heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan die overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is te achten in de zin van artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De detentie van appellant is niet als zodanig aan te merken, omdat niet is gebleken dat appellant vanuit zijn detentie in Frankrijk niet in staat zou zijn om ervoor te zorgen dat hij (tijdig) op de hoogte zou worden gebracht van zijn post. In dit verband is van belang dat voorafgaand aan de onder 1.1 vermelde besluitvorming contact is geweest tussen de Svb en de (strafrecht)advocaat van appellant over zijn detentie. Uit het daarvan opgemaakte rapport blijkt niet dat er afspraken zijn gemaakt over toezending van eventuele post door de Svb. Gebleken is dat daarin wel was voorzien, omdat appellant een postbus had genomen, waarnaar het besluit van 23 november 2009 is toegezonden. Het is de verantwoordelijkheid van appellant om ervoor te zorgen dat hij op de hoogte wordt gebracht van de inhoud van de ontvangen post. Verder is van belang dat appellant op 8 januari 2010 telefonisch contact heeft opgenomen met de Svb over de besluitvorming. Uit het daarover opgemaakte telefoonrapport blijkt dat bij appellant bekend was dat er besluiten waren genomen over het recht op uitkering en de terugbetaling daarvan. Appellant had daartegen (alsnog) bezwaar kunnen maken. Nu het bezwaar tegen het besluit van 23 november 2009 terecht niet‑ontvankelijk is verklaard, wordt niet toegekomen aan de inhoudelijke bespreking van de vraag of de aflossingscapaciteit van appellant destijds terecht is vastgesteld op een bedrag van € 330,- per maand.
4.3.
Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2019.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) M.A.E. Lageweg
lh