Uitspraak
18.2531 AW
mr. J.C.E. te Riele en H.J.A. Fokkens.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam bij de politie sinds 2006, kreeg in 2014 een voorwaardelijk strafontslag opgelegd wegens plichtsverzuim, omdat hij politiesystemen niet werkgerelateerd had geraadpleegd en politiegegevens in handen waren gekomen van personen met criminele antecedenten. In 2016 werd hij buiten functie gesteld en geschorst.
Na vaststelling dat appellant opnieuw de politiesystemen voor privédoeleinden had geraadpleegd, legde de korpschef het voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer. Appellant betwistte de beschuldigingen en stelde dat de raadplegingen werkgerelateerd waren, omdat hij wilde nagaan of hij met bepaalde privécontacten kon omgaan in het kader van zijn functie.
De Raad oordeelde dat het raadplegen van de systemen uitsluitend is toegestaan voor politietaken en dat appellant wist dat niet-werkgerelateerd raadplegen plichtsverzuim is. Het beroep werd ongegrond verklaard omdat appellant geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd die de tenuitvoerlegging zouden verhinderen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het voorwaardelijk strafontslag wordt bevestigd.